Mensen van alle leeftijden denken dat ze het grootste deel van hun ontwikkeling achter de rug hebben en vanaf nu niet meer zoveel zullen veranderen. Dat ze nu bijna alles wel weten en er dus niet veel meer te leren valt. Maar op elke leeftijd blijken ze zich daarin te vergissen: ze veranderen daarna meer dan ze hadden verwacht. Daarom de naam end of history-illusion voor dit verschijnsel: de gedachte dat je geschiedenis, je ontwikkeling zo'n beetje is voltooid, is een illusie.
Ook collectief, als samenleving, lijken we ten prooi aan deze illusie. We zien onze maatschappelijke en culturele normen, waarden, wetten en gebruiken als beter dan die uit vroeger tijden. We kijken neer op barbaarse praktijken uit het verleden, zoals slavernij, kinderarbeid, kolonialisme, en denken dat onze morele ontwikkeling nu voltooid is. Vanuit onze huidige maatstaven zijn we geschokt over hoe ‘fout’ mensen in vroeger eeuwen soms waren. We willen zelfs alsnog hun fouten herstellen. Twee Afrikaanse mannen op een schilderij van Rembrandt, destijds door hem negers genoemd, moesten later Moren heten, daarna Afrikaanse mannen, en nu Amsterdammers.
Wat is er veranderd? De tijdgeest, de bril waardoor we kijken. We beseffen hoezeer we etnische minderheden en de inheemse bevolking van gekoloniseerde landen hebben onderdrukt, uitgebuit en achtergesteld. Tegelijkertijd benadelen we nog steeds andere landen en zwakkere groepen met onze leefwijze; denk aan onze klimaatvoetafdruk, gebruik van grondstoffen en goedkope arbeid uit andere landen, ontbossing voor ons veevoer, dumpen van ons afval, uitbuiting van arbeidsmigranten.
Als we echt zo beschaafd en moreel ontwikkeld zijn geworden in de loop van de geschiedenis, zouden we meer zelfkritiek hebben. We zouden de betrekkelijkheid van onze huidige denkkaders zien. We zouden beseffen dat die ook weer veranderen en dat er in andere culturen zelfs nu al heel anders tegenaan gekeken kan worden.
Denk aan de verontwaardiging van velen toen de Verenigde Naties een oordeel hadden over Zwarte Piet: ‘Wat weten zij van onze cultuur?’ Terwijl juist het perspectief van een buitenstaander leerzaam en verfrissend is. Het doet je beseffen dat iedere cultuur en ieder tijdperk een eigen bril heeft. Wij vinden het raar dat er volken zijn waar vrouwen hun kinderen borstvoeding geven tot in de schoolleeftijd. En nog raarder dat die kinderen soms aan de borst gaan bij ándere vrouwen. Yek! Maar zelf drinken we de moedermelk van moeders van een andere diersoort: de melk die de koe maakt voor haar kalf (en die bovendien een enorme uitstoot aan broeikasgassen en stikstof oplevert). Hoe raar is dat?
Hoe zullen toekomstige generaties terugkijken op de onherstelbare schade aan klimaat en natuur die we hiermee veroorzaken? Of op onze laffe passieve houding tegenover landen die het internationaal recht schenden?
Als je midden in een situatie zit, kun je niet alles overzien. Onze blik wordt beperkt door ons collectieve ego en onze huidige moraal. Met een meer uitgezoomde blik zien onze (klein)kinderen misschien beter de overeenkomst tussen de genocide in de Tweede Wereldoorlog die we herdenken op 4 mei, en de genocide in Gaza waartegen we niet optreden. Zij zien misschien ook beter de rol van onze handelsbelangen, van de etniciteit van de slachtoffers in Gaza, en het contrast tussen wat we zéggen over het beschermen van de internationale rechtsorde en de vrijheid voor iedereen, en wat we feitelijk doen (en laten).
We hebben makkelijke oordelen over de kortzichtigheid van vroeger. Maar de wereld wordt niet beter van onze onze woorden ('nooit meer'). De wereld wordt beter van wat we doen. Uiteindelijk worden we misschien zelf wel de ergste barbaren ooit, in de geschiedenis van de toekomst. Als we nu alvast vooruitblikken op hoe er in de toekomst naar óns gekeken wordt, is dat vast zinvoller dan in zelfgenoegzaamheid de fouten van vroegere generaties verbeteren.
Dit is een bewerkte versie van een column uit de laatste bundel van Roos Vonk, O nee dit gaat over mij.